Media

Toen we nog deden alsof de snelweg een rivier was

Een echtanna uitgave ism. Productiehuis Brabant
Vormgeving en fotografie: Peer van der Kruis

toenwenogdedenalsof_cover

De uitgave + EP kopen?
Mail naar: info@dezonschijntnietinuwtv.nl.

Scène 1

Meisje:
Ik sta in het invalidentoilet van het Poolcentrum.
Jimmie staat de veters van zijn legerlaarzen
dicht te knopen. Het blauwe tl-licht weerkaatst
op de zweetdruppels rond zijn neus en zijn voorhoofd.
Er hangt een sigaret aan zijn bovenlip.
Hij spuwt hem in de wasbak, die halfvol staat met water
en groene papieren handdoekjes. “Hier nam ik altijd
dat grietje van de schoonmaakploeg,” dat zegt hij.
En hij grijnst. Vier jaar van zijn leven
in de technische dienst van een Poolcentrum,
met als enig lichtpuntje dat grietje in een invalidentoilet.
Ik denk aan de eindeloze zondagmiddagen,
op de vluchtstrook van de A27. Aan ons samen
en aan Jimmie en zijn vrienden,
rennend van het ene knooppunt naar het andere
en terug.
“Als wij dit gaan doen heb ik meer drank nodig.”
Dat zeg ik.
En Jimmie draait mij om. Met mijn gezicht
naar de wc-pot. Hij maakt mijn spijkerbroek open
en trekt hem naar beneden. Ik vraag
of hij een condoom bij zich heeft.
“Nee, en ik ga er ook geen gebruiken.
Ik wil dat wij een kind krijgen.”
“Ik ben dronken, Jimmie.” “Daar wil ik het nu
niet over hebben. Ik heb er een hekel aan
om te praten tijdens het neuken en dat weet je.”
Ik kijk naar mijn schoenen op de gescheurde tegelvloer.
Dan glijd ik weg. Ik klap met mijn kop
tegen een ijzeren pijp en er loopt bloed
van mijn wenkbrauw naar mijn wang.
En er loopt ook iets tussen mijn benen,
maar het is niet zijn sperma.
Jimmie schreeuwt tegen me en hij raakt me
met de stalen neus van zijn schoen net onder mijn knie.
De rest moet hij me na afloop vertellen.
Hoe hij me heeft aangekleed
en door het Poolcentrum gedragen.
Hoe hij zich schaamde.
En dat hij moest proberen om uit te leggen
hoe het kwam dat ik bewusteloos was
en mezelf had ondergepist.

Scène 2

Meisje:
Ik heb een enorme blauwe plek. Blauw. En geel.
Ik lig in Jimmies bed. De plek waar hij heeft gelegen
is nog warm. Jimmie drukt zich op in de keuken.
Op de televisie is een show over mensen
die hun baby’s uitlenen aan andere mensen
om te proberen of ze goede ouders zijn.
Jimmie staat in de deuropening naar de keuken
in een la te rommelen. Hij haalt er iets uit
en komt mijn kant op.
Hij pakt mijn pols en trekt mijn arm naar achteren,
naar de spijlen van het bed.
“Zo voelt het, om samen te zijn met jou.”
Dat zegt hij, met een sigaret in zijn mondhoek.
“Vastgeklonken aan een bed. Zo was het
om met jou door het Poolcentrum te lopen.
Om met jou naar de auto te lopen.
Terwijl al die mensen naar me stonden te kijken.
Alsof ik de hele tijd dat klotebed met me mee droeg.
Alsof ik daaraan vast zat en alsof iedereen dat zag.”
Ik kijk naar de sigaret, die beweegt.
En alles wat ik nog hoor is de tv
en de baby die jankt.
De baby die de mensen hebben weggegeven.
Tien uur later komt hij terug, stomdronken,
pakt de handboeien en maakt me los.
Hij kleed zich uit en stapt in bed.
“Sorry,” zegt hij.
Ik wacht tot hij slaapt. Ik wacht tot hij een hele tijd
regelmatig ademt. En dan sta ik op.
Ik kleed me aan en vertrek.